Bibliorura

Geacht publiek,
Toen Benny Lindelauf het bericht ontving dat hij was verkozen tot winnaar van de Halewijnprijs, stond hij te koken!
Of het twee koeienogen waren, een verdroogde ui, een slappe wortel en het merg van een gevilde kat, waar hij soep van stond te trekken die deed denken aan Bretonse vissoep, vol en romig van smaak, is tot nu toe onbekend gebleven. [HTZVV p.20]
Kon Benny Lindelauf koken? Dat wisten we niet.
Maar kon Benny Lindelauf schrijven?
Kan een vis zwemmen? [HTZVV p.20]

Als schrijver van kinder- en jeugdliteratuur geniet Benny Lindelauf al enige tijd bekendheid; gereflecteerd in de Woutertje Pieterseprijs en Nienke van Hichtumprijs. Ook de jury van de Halewijnprijs bekrachtigt zijn uitmuntend heldere stijl die gewenst is voor een jongere lezer. Maar Benny doet veel meer dan dat!
Na een aantal kinderboeken schreef hij de jeugdromans Negen open armen (2004) en De hemel van Heivisj (2010). Hier lezen we hoe een moederloze familie onder aanvoering van de rusteloze gelukzoeker De Pap, neerstrijkt in een krakkemikkig huis, ver buiten de poorten van de stad aan het einde van Sjlammbams Sahara, een lemen pad dat zwalkend van links naar rechts door velden en holle wegen richting Duitsland loopt. We schrijven augustus 1937.
Door de ogen van het meisje Fing leven we mee met haar vader De Pap, haar vier oudere broers Krit, Eet, Pie en Sjeer, haar jongere zusjes Muulke en de kleine Jes en de strenge hard werkende oma Mei, maar dat zijn alleen nog maar de levende personages. Want oma Mei die de hand op de knip houdt waar schoonzoon, De Pap, een gat in zijn hand heeft, verhuist ook opa Pei, haar overleden man, steeds mee en haar gestorven dochter, de Mam, die een hart van lappen had.
“‘Niet alle moeders hebben een hart van lappen, hè? vroeg Jes zachtjes. ‘Alleen zeldzame moeders,’ zei ik.’” [NOA p.46]
Oma Mei is een ras-verhalenverteller. De verhalen zitten in de Krokodil, haar grote stokoude koffer. Maar vrágen om een verhaal, dat is ten strengste verboden; de kinderen hebben geleerd
‘te zwijgen, af te wachten, ook al mierde het verlangen in onze buik.’ [NOA p.46]
Als oma Mei zelf behoefte heeft aan een luisterend oor, dan praat ze met haar man opa Pei:
‘Onze grootvader zat in de beschuitbus. Net zoals onze moeder in het sjpensele-kistje lag.’ [DHVH p.27]
Maar sinds de verhuizing naar Negen Open Armen lijkt oma ook weerwoord te krijgen:
‘Het was niet nieuw dat ze tegen onze grootvader praatte. Wél nieuw was dat ze klaarblijkelijk luid en duidelijk kon horen wat onze grootvader antwoordde, want na een korte stilte snoof ze luidruchtig en zei: ‘Kwatsj!’ [DHVH p.27]
Wat oma zelf van iets vond, dat zei ze nooit, maar dat hoefde ook niet.
‘Haar mening zat in het waanzinnig tollende uilenoog, de bonkende stappen die ze met haar maat drieënveertig schoenen maakte en de theelepeltjes in het lepelglaasje deden rinkelen.’ [DHVH p.38]
Lindelauf beschrijft ontroerend de band tussen de drie opgroeiende zusjes die, ondanks hun gekibbel en verschillende karakters, onverbrekelijk is.
‘We waren een zussenmachine met tandwielen die feilloos in elkaar grepen.’ [DHVH p.18]
In hun nieuwe huis proberen de zusjes te meten hoe lang de kamer is. Vanaf de voorkamer gaan ze met wijde armen naast elkaar staan, ‘met vingers die pijn deden van het rekken.’ Elk zusje moest drie keer staan vóór de achterste muur was bereikt.
‘Drie keer drie is negen,’ zei Jes.
Wij waren met z’n negenen. [NOA p.20]
Als de meisjes behang moeten kopen, doen ze voor aan de winkelier hoe lang hun kamer is. Op de rekening kwam te staan ‘Behang voor Huis Negen Open Armen à fl. 0,45,- per arm.’ En zo kwam dit oude huis aan zijn nieuwe naam.
En Negen Open Armen vertelde haar eigen verhalen.
‘Als het waaide, murmelden de pannen op het dak en als de wind uit het oosten kwam floten de sponningen in de ramen.’ [NOA p.46]
En Negen Open Armen had naast de familie ook haar eigen bewoners zoals Sjar en Ninnevee, de huisgeesten.

In de hemel van Heivisj zijn we een jaar verder en wordt formidabel beschreven hoe langzaam maar zeker de oorlog het dagelijks leven van de familie en de gemeenschap binnen siepelt en hoe je bij het maken van de beste keuzes niet altijd meer alleen kunt leunen op het mantra van de Pap: ‘Eerst geloven, dan zien’.
‘De straten van de stad zoemden van de berichten over de Pruuse die het in de bol geslagen was.’ [DHVH p.36]
Er wordt een kazemat gebouwd, er komt een verduisteringsproef – ‘Maar waarom?’ vroeg Muulke...’ [DHVH p. 35] Er komt een cursus tegen luchtgevaar.
‘Wat is luchtgevaar?’ vroeg Jes. ‘Niks,’ zeg ik. [DHVH p.35]
Maar Muulke brult:
‘Luchtgevaar, dat is als de wolken te zwaar worden en alle regen op onze kop laten vallen!’ Met een plof viel de steen in het zand. [DHVH p.35]
Er loert gevaar. Dat is duidelijk. Maar onder alle dreiging met onbekende gevaren gaat het alledaagse leven gewoon door en met groots inlevingsvermogen beschrijft Lindelauf de coming of age van het meisje Fing. Zoals wanneer ze ontdekt dat jongens eigenlijk een soort van kippenpootjes zijn en hoe de reactie is van haar familie op de Vloed. ‘De Vloed,’ zei [zusje Muulke] met een grafstem (...) gevolgd door een ellenlang gruwelverhaal. Oma Mei maakt die ochtend zorgzaam warme melk met lindebloesem. Maar het meest sprekende is de reactie van de mannen:
‘Zelfs de Pap en mijn broers moesten iets in de gaten hebben. Ze kwamen even kijken, bleven bedremmeld in de deuropening staan en wuifden. Ze wúifden! Alsof ik aan boord was gegaan van een schip, dat koers gezet had naar een onmogelijk ver oord.’ [DHVH p.124]

Op school krijgt Fing een kans geboden, waardoor ze van een Gouden Toekomst droomt. Maar dan wordt schrijnend duidelijk hoe niet de Pruuse of de Zwartjassen haar droom in duigen laten vallen, maar de roddelzucht en kleinzieligheid van haar eigen dierbaren.
‘Op dat moment besefte ik dat het een leugen is dat mensen volwassen worden. Ze groeien misschien aan de buitenkant op tot een grootmoeder of een Slagschip, maar vanbinnen worden ze niet veel ouder dan ik, Muulke of zelfs Jes.’ [DHVH p.72]
Hier is een groot schrijver aan het woord die toont dat midden in oorlogsgeweld het niet per se de bommen van de Pruuse hoeven te zijn die je laten overleven of niet, maar dat een paard (dat toch al niet tegen duister kon!) op zijn manier de grond kan laten daveren en de mensen met zijn machtige hoeven het veilige pad wijst naar huis – Heivisj. En schitterend hoe Lindelauf onthult dat een eigenwijze boom al op jonge leeftijd de beslissing nam om haar wortels in een andere richting te laten groeien en een huis daarmee haar stem gaf; maar ook dat de inmiddels oude linde besluit om op het moment suprême de ondergedoken bewoners van het geliefde huis te redden van de bom en ze als een dramatische ‘Linde-lauf’ de majestueuze apotheose van dit prachtige boek inluidt.

In Hoe Tortot zijn vissenhart verloor maken we kennis met de veldkok Tortot. Het is de tijd van de ‘Grote Oorlogen’ – de twintigste, die er twee telde; de negentiende, de achttiende of speelt de geschiedenis zich af in vrijwel altijd? Het blijft trefzeker in het midden.
Volgens anonieme bronnen heeft Tortot ‘het hart van een vis op de bodem van de oceaan: ijskoud en berekenend’. Dat vissenhart blijft lang zijn trouwste metgezel. Een ziel heeft Tortot niet, ook geen mensenhart, hij moet het doen met een vissenhart. Dat koude hart, zo verontschuldigt de verteller zijn held, komt hem goed van pas, ‘want hij leefde in een tijd waarin vriend en vijand veranderlijker waren dan de hoedenmode in Parijs’.

De oorlog voedt de kok: ‘Waar het oorlog was moesten soldaten gevoed. Wat hem betrof mocht het eeuwig duren.’ Voor Tortot is oorlog een gelukkige stand van zaken. Voor de meeste anderen niet: ‘De meeste mannen stierven als eendagsvliegen.’ Voor anderen is oorlog een ramp, maar te midden van rampzaligheden weet Tortot met zijn vissenhart zich met verve te handhaven. De leer van de Stoa die voorschrijft om te midden van grote ellende de balans en in die balans het geluk te vinden, lijkt in Tortot een talentvolle volgeling te hebben gevonden.

Maar in het eerste hoofdstuk al, wordt op het deurtje van zijn ijskoude gevoelloosheid voorzichtig geklopt door een kleine jongen met een gaaf gelaat. Een gelaat, dat Tortot doet denken aan ‘bavarois, vers uit de vorm’. [p.9]
Het is het gezicht van de jongen George, die op zoek is naar zijn broers. Als Tortot hem de weg naar de Luie Ligweide wijst, is er geen spoor van cynisme of verslagenheid te zien op het jonge gave gelaat. Hij biedt Tortot zelfs zijn vriendschap voor het leven aan. Maar voor Tortot, die weet van de dood en dat het geen heerlijke ligweide was, maar het kerkhof dat ruimte biedt aan de broers ‘of wat ervan over is’, voor de veldkok is vriendschap slechts een woord zonder betekenis. Het koude vissenhart staat tegenover het gave gelaat van een onnozel kind dat nog twaalf moet worden. Een ongemakkelijke voorspelbaarheid tekent zich hier al af: dit kind zal worden geschonden. En het vissenhart – de titel is een spoiler – zal verloren gaan.

Maar voordat het zover is, staat er nog veel te gebeuren. Het is oorlog en Tortot, door de jaren heen verrijkt met een ‘feilloze intuïtie’, weet wanneer in oorlog kansen keren. In de nacht bepakt hij zijn bebrild ezeltje met tent, potten en pannen en zijn veldfles met Eeuwigheidssoep en loopt heimelijk over naar het kamp van de vijand.

Daar doet hij met zijn hoofd op het schavot ‘ijskoud en berekenend’ een beroep op het handboek Keurig oorlogvoeren. Met al die verdwenen ogen, neuzen en oren een anomalie van een titel. Na een hoop militair gekrakeel, waarbij verteller Lindelauf en passant op droog-komische wijze de familiegeschiedenis van de militaire Nilliewassers even uit de doeken doet, krijgt Tortot uiteindelijk toestemming voor een laatste wens.
‘En die is?’ vroeg de Schone.
‘Een laatste maal.’ [p.20]
Maar Tortot wil die niet éten, maar kóken! Hij zou koken voor het vijandelijke leger.
‘En kon Tortot koken?
Kan een vis zwemmen?’[p.20]
En hier begint koken op vertellen te lijken en zien we hoe Tortot als een prinses Shéhérazade in leven weet te blijven. Hij kóókt, hij transformeert, verandert botjes van een houtduif in gelatine, gooit het aangevuld met bietensap in een dubbelvorm en drukt met zwier een vuurrode veenbes op elk vleeskleurig heuveltje, zodat deze suggestieve trilpudding je in de rosse buurt van Parijs laat wanen en maakt Tortot van de oorlog een hemels banket.
‘Iedereen denkt altijd dat in tijden van oorlog niets zozeer gevreesd wordt als de vijand. Maar er is geen grotere verschrikking denkbaar dan het eigen leger. Vooral als dat leger honger heeft. Dan zijn de rapen snel gaar.’[p.23]

In Tortot laat Lindelauf op magische wijze zijn lezers, zelfs mensen die in het algemeen geen oorlogsverhalen pruimen, zich volledig in zijn werk verliezen. Het is zijn betoverende schrijfwijze, sprookjesachtig, dromerig en realistisch tegelijk, vol mooie dialogen, rijk aan metaforen.

De jury van de Halewijnprijs kent verschillende expertises en gevarieerde literaire invalshoeken. In het recept van Lindelaufs werk werd dus ook ‘een mespuntje francofonie! ’ herkend en zijn stijl benoemd als: Rabelaisiaans. Overdadig. Te lezen als een potpourri van klassieke Franse schrijvers.
‘Die avond bereidde hij een uitbundig feestmaal voor het hogere kader van zijn voormalige vijand. Hij hakte, hij mengde, hij maalde en hij stampte. Hij toverde soepen tevoorschijn en stoofschotels die roken als bedwelmende vrouwenparfums, hij vulde patrijzen en kippen tot ze zo vervaarlijk vol waren dat een onvoorzichtige beet kon maken dat ze ontploften in je gezicht’[p.24]
In de trant van de klassieke 16e eeuwse Franse schrijver Rabelais klinken synoniemenreeksen als: ‘Hij hakte, hij mengde, hij maalde en hij stampte’.
Maar ook het gebruik van leenuitdrukkingen uit andere talen:
‘The proof of the pudding is in the eating’ zei Tortot, die een blauwe maandag het Angelsaksische leger had gediend.’ [p.39]
en ook het gebruik van korte, soms wat ‘obscene’ versjes; zoals dit dat de hijgende keizer op weg naar zijn ondergang zingt:
‘Waarheen mijn dromen
Waarheen mijn daden
wanneer mijn lijk
wegzakt in de aarde?
Waarheen mijn bloed
mijn vlees, mijn stront?
De aarde rond.
De aarde rond.’[p.206]

De vindingrijkheid van Tortot kent geen grenzen. Wanneer Halve George wordt ontdekt door de Manke, verzint hij een list, zo slim als die van de Vos met de Raaf, in de gelijknamige fabel van Jean de La Fontaine.

De boeken van Lindelauf zijn leeftijdloos maar ook tijdloos. Het zijn verhalen die moeten worden verteld. Over de absurditeit van oorlog zegt de verteller zelf:
‘De oorlog was een tartaarmachine en die moest worden gevoed. Tienduizend, honderdduizend, een miljoen soldaten had hij al opgeslokt. [HTZVV p.226]
Maar het werk van Lindelauf gaat niet alleen over oorlog. Ragfijn spint hij familiegeschiedenissen door het krijgsgeweld. Soms in de vorm van een droom, schuingedrukt. Het familieverhaal van Tortot is schijnbaar achteloos aanwezig. Tot ver in het boek verdringt de veldkok de herinneringen aan zijn jeugd, waar hij als jongste telg van zijn in de steek gelaten moeder woonde - in een ‘Hans-en-Grietje’ dorp, in een scheef huisje met een scheef tuintje onder een scheve eik. Daar zorgde moeder voor haar zonen en haar kruidentuintje, totdat al haar kinderen ten oorlog waren geroepen.
En in zijn tent ver weg op het slagveld droomt Tortot van de ‘machtige, stevige steeneik midden in het scheve tuintje van zijn moeder. De eik verdeelde het zonlicht onder de planten, zoals Tortots moeder ooit het eten onder haar zonen verdeeld had. Nu was haar kruidentuintje haar kroost. Elk blaadje was een kind. Ze stopte ze een voor een in haar opgehouden schort en wiegde ze zingend, zoals ze ooit haar zonen gewiegd had.’ [p.26]

Hartverscheurend is de scène waarin de zoneninner langs komt voor de volgende zoon. De moeder is sterk en ook grootmoeder was sterk, zij gaf de Eeuwigheidssoep (met een hoofdletter E), die ‘kracht geeft aan de krachteloze en moed aan de moedeloze.’ Als een heilige moeder, een oermoeder, geeft ze leven en proeven we hier een spirituele laag.
Maar brieven met een zwart randje die vervolgens worden bezorgd, die opent moeder niet. Die blijven ongeopend op de schouw staan. ‘En huilen deed ze nooit. Waarom zou ze? Zolang ze niet wist wie er was gesneuveld, kon ze haar zonen in leven houden. Niet allemaal tegelijk, maar afwisselend (...) Bertrand, Jumeaux, Itrahim of Gérard...’[p.118] En zo weet de moeder van Tortot de dood te pendelen.

De liefde leert Tortot kennen zoals ‘Le Petit Prince’, langzaam ontstaand in het zorgen voor elkaar, in wederzijdse afhankelijkheid. En misschien werd Tortot ook wel meer door Kleine George verzorgd dan andersom... Aan het einde van het boek vraagt Tortot zich af: ‘Wat maakt dan één kleine soldaat uit, nee, nog minder, een hálve, een halve, kleine soldaat?’ [p.226] Het antwoord laat zich raden.

Na een geslaagde taartlist-operatie is Tortot klaar om terug te keren naar zijn scheve geboortehuis onder de scheve eik.
Zoals Odysseus in de Odyssee en zoals Candide van Voltaire, kent Tortot na zijn vele omzwervingen één helder doel: ‘een restaurantje aan het einde van de wereld. Een restaurantje voorbij de oorlog. (...) Het zou zo simpel zijn.’ [p.181] ofwel vrij vertaald naar Voltaire: ‘Il faut cultiver notre restaurant’!

En zoals Tortot werd bijgestaan door Halve George – hoe het écht afloopt, willen we hier graag verzwijgen - zo ontmoette Benny Lindelauf bij het schrijven van dit boek tekenaar Ludwig Volbeda. Samen volbrachten zij het wonder van dit prachtige en augurkrijke boek, dat fantastisch smaakt en smaakt naar meer!
Dit boek gaat over alles en niets - over oorlog en augurken – over moeders die zijn gemaakt van zonen. ‘Maar als die zonen er niet meer zijn, kunnen ze er zelf net zo goed niet zijn.’ [p.92] Over de kracht van Eeuwigheidssoep, over vriendschap in oorlog en wees nooit bang dat de augurken ontbreken, ook al zijn het op dat moment misschien gepureerde zoete bonen gekleurd met brandnetelsap!

Benny Lindelauf is de enige Nederlandse schrijver die zijn teksten kan doorrijgen met vreemde woorden zoals Limburgse, Duitse en Jiddische, waarmee in het verhaal de juiste sfeer wordt getroffen. Maar hij doet het zo fijntjes gedoseerd dat het nergens zijn rijke sprankelende Nederlandse schrijfstijl aantast. Dat kunnen alleen de echte Groten. We denken hierbij aan James Joyce.

Dit boek is er en het lijkt alsof het er altijd is geweest.
Met de publicatie van Hoe Tortot zijn vissenhart verloor (2016) kunnen we definitief vaststellen dat Benny Lindelauf een schrijver is van literatuur voor iedereen, van alle leeftijden. Zet zijn werken in kasten van boekhandels, scholen en bibliotheken, maar wel in alle kasten! Van de onderste naar de bovenste plank, bij romans voor volwassenen, prentenboeken, oorlogsdocumentatie en kinder- en jeugdliteratuur. Iedereen moet ze kunnen vinden. Zodat ze uit de kast kunnen komen.

Door de bekroning met de Halewijnprijs willen we uitroepen dat Benny Lindelauf de aandacht verdient van een breed publiek en een veel breder publiek dan alleen de jongere lezer.

Zijn oma was een ras-verhalenvertelster en Benny heeft haar kunst omgetoverd – waar of niet? – tot geschreven literatuur in een wonderschone Nederlandse taal. Of zijn verhalen zich nu afspelen in Zuid-Limburg, in een onbestemde tijd van oorlog of een augurkenton, het maakt niet uit. De kracht van zijn stijl, zijn fantasie en zijn enorm inlevingsvermogen in mensen van alle maten en soorten tillen zijn werk naar universele waarde.
Wij wensen Benny Lindelauf dan ook toe dat zijn werk in vele talen zal worden vertaald zodat zijn verhalen over de hele wereld tot in lengte van dagen gehoord en gelezen worden. Dat verdienen ze!
Il faut cultiver!

De jury Halewijnprijs 2016
Peter Altena
Annelies Eisinga
Pon Kranen
Philo Offermans